De archieven van Lisogne en de taal van de ouderen in het dorp zitten vol vergeten woorden. Hier de belangrijkste, in het Waals en het oude Frans, met hun betekenis.
Waalse woorden en plaatsnamen
- Aysance: gemeenschappelijke grond die de inwoners deelden om er inkomsten uit te halen (1586).
- Bati: braakliggend terrein ten dienste van de gemeenschap; openbaar plein.
- Bôlète: kleine berk.
- Bouerie: ossenstal en weide voor de trekossen.
- Brassine: brouwerij (« het gebouw genaamd de brassine bij de grote molen », 1779).
- Cinse: hoeve. De cinse dol toûr is de Ferme de la Tour.
- Comognes: gemeentegronden.
- Cortil: moestuin.
- Craheaux: slakken, sporen van oude smelterijen op houtskool.
- Djurnô: dagwand, wat een os op een dag kon ploegen, een kwart bunder.
- Doyère: douaire, grond waarvan de opbrengst naar de pastoor ging.
- Forbo: voorstad, plaats buiten het dorp; vandaar de Rue du Forbo.
- Fourni: bakhuis.
- Pachis: omhaagde weide, boomgaard.
- Pirière: steengroeve.
- Pi-sinte: voetpad van ongeveer een meter breed.
- Polichwè: slijperij, molen in Thynes waar blauwe steen en zwart marmer werden gezaagd en gepolijst.
- Rôye en tré: voor die de grens van een veld markeert.
- Tchafor: kalkoven; de kalk diende om de grond te verbeteren.
- Tchèrô: steile karrenweg, zoals de tchèrô d’Lîzogne naar de molen.
- Tchèstia: kasteel.
- Tiène: steile heuvelflank.
- Tri: braakland (Frèch’tri).
- Vèvi: vijver.
- Vôye: hoofdweg; li lôdje vôye of Herenweg liep van Awagne naar de Fonds de Leffe.
- Wé: wed, drinkpoel voor het vee.
Termen uit het Ancien Régime
- Alleu (allodium): vrij goed, zonder verplichtingen tegenover een heer, in tegenstelling tot het leen.
- Arrentement: overdracht van een goed tegen betaling van een rente.
- Avouerie (voogdij): bescherming van een abdij en haar domeinen door een wereldlijke heer, de voogd.
- Banaliteit: recht van de heer om de inwoners te verplichten zijn molen, oven of pers te gebruiken, tegen betaling.
- Bunder: oppervlaktemaat van ongeveer een hectare.
- Cijns: vaste en eeuwigdurende heffing aan de grondheer voor een stuk grond.
- Censier: pachter van een hoeve.
- Tiende: heffing van een tiende van de oogst voor de Kerk, afgeschaft in 1793.
- Engagère: verkoop met eeuwigdurend recht van terugkoop; zo verwierf Verachter in 1755 de hoge rechtspraak.
- Leen: grond die een heer aan een vazal gaf in ruil voor trouw en diensten.
- Herdier: herder van de gemeenschappelijke kudde van het dorp, de herde.
- Mansus: familiale landbouwhoeve uit de vroege middeleeuwen, van 5 tot 30 hectare.
- Meier: voorzitter van het plaatselijke gerecht.
- Mud en setier: graanmaten; een setier is ongeveer 30 liter.
- Plaid: zitting van de schepenbank.
- Relief (verhef): recht te betalen bij de overdracht van een leen.
- Sartage: ontginning van hakhout door afbranden, enkele jaren bebouwd en daarna weer bebost.
- Warichet: braakliggende grond voor de gemeenschappelijke weide.
Naar « Lisogne se conte »: « Quelques notions de toponymie » en « Terminologie ».
