Drie eeuwen lang werden de drie hoeven van Lisogne gehouden door de Kruisheren van Dinant, die van 1491 tot 1779 in de stad gevestigd waren.
De Kruisheren waren nooit heren van Lisogne. Ze « bezaten » de hoeven via een eeuwigdurende erfpacht, dat wil zeggen het recht ze te laten uitbaten tegen renten aan de grondheren. De oorlogen van de 16de eeuw, pest en hongersnood maakten die last verpletterend. In 1596 pleiten ze dat door de « voortdurende doortochten, plunderingen en afpersingen » van het krijgsvolk hun gronden « bijna volledig braak, verwilderd en onbebouwbaar » liggen.
De Petite Cense
In 1583 krijgen de geruïneerde Kruisheren de toelating hun kleine hoeve af te staan aan Mathieu Henry, schepen van Lisogne; de gebouwen liggen « volledig in puin ». Hij ziet er in 1591 van af. In 1703 verkoopt pachter Martin Jehenneaux, die niet kan betalen, aan de Kruisheren zijn vier paarden, twee koeien, een kalf, zijn varkens en zijn kar. De Petite Cense is vandaag de Ferme du Centre, vlak bij de kerk, omgebouwd tot woning.

De Moyenne Cense
De tweede hoeve gaat begin 17de eeuw naar Jean du Sart, koopman uit Dinant, en daarna naar de Pasquiers. In 1723 beschrijft een plaatsbeschrijving op verzoek van de Kruisheren een vervallen hoeve: poort van het erf verdwenen, stallen zonder sloten, strodaken met gaten, een put die geruimd moet worden. Via Thérèse Muselle, erfgename van de Pasquiers, komt de hoeve bij Guillaume Verachter, die er zijn kasteel vóór laat bouwen. Ze wordt de kasteelhoeve.
Zo kwam een Antwerpenaar, dankzij een echtgenote en een hoeve, zich in Lisogne vestigen en bouwde hij er zijn kasteel… (vertaald)

De Grande Cense of Ferme de la Tour
De Grande Cense doorstond de beproevingen van de 16de en 17de eeuw beter, wellicht omdat ze versterkt was: ze dankt haar huidige naam aan de ronde toren op een van haar hoeken. Woonhuis en bedrijfsgebouwen, in steen, staan in een vierkant rond een ruim erf. In 1752 telt ze 74 bunder akkerland en brengt ze jaarlijks 120 mud spelt en 39 mud haver op.


In 1755 gekocht door Guillaume Verachter, gaat ze naar zijn zoon, kanunnik Baudoin Verachter. De pachtovereenkomst die hij in 1829 sluit met pachter Norbert Burton verplicht die de gebouwen te onderhouden, het brandhout van de eigenaar te vervoeren en « de inkwartiering van krijgsvolk » te dragen. De pachter verklaart « niet te kunnen schrijven of tekenen ».
Het « schrift van de pachtontvangsten », bewaard door de familie Floymont, volgt de opeenvolgende eigenaars van 1844 tot 1983: de baronnen de Blommaert, de graven de Meeûs, barones de Moffarts, de graven de Massol de Rebetz. In 1893, een jaar van grote droogte, geeft de graaf 30 % korting. De gebouwen worden in 1983 aan de Floymonts verkocht, de gronden negen jaar later. In 1946 komt de eerste tractor, een Amerikaanse « Oliver » van 35 pk met ijzeren wielen, die met de slinger werd gestart.

Ieder zijn kippen, varkens en koeien
Buiten de drie grote hoeven zijn de gronden van het dorp sterk versnipperd. In de 20ste eeuw houden veel gezinnen nog enkele koeien, een paard of schapen. De veetelling van 1925 somt een dertigtal kleine veehouders op. Die kleine bedrijfjes verdwijnen geleidelijk na de Tweede Wereldoorlog.
De gemeentegronden
De dorpelingen beschikten ook over gemeenschappelijke goederen, van levensbelang voor hen: het bos van de Rot, voorbehouden aan de inwoners van Lisogne op de rechteroever van de beek van Froidin (de andere oever was voor die van Loyers), waar men hout haalde om te bouwen en te stoken, en de warichets, braakliggende gronden waar de gemeenschappelijke herde graasde. Door ontginning zijn die bossen bijna allemaal verdwenen; van het bos van de Rot bleef alleen de naam.
Naar « Lisogne se conte »: « Les fermes et leurs histoires ».
