Het dorp

Het grondgebied van Lisogne en zijn gehuchten Awagne, Loyers en Fagnoulles maakt deel uit van de echte Naamse Condroz en is er typisch voor: doorsneden door dalen en heuvelruggen, overwegend landelijk.

Middelgrote landbouwbedrijven delen het landschap met wat overblijft van de bossen, die tot in de 18de eeuw nog talrijk waren. Het gematigde, vaak regenachtige klimaat is geschikt voor tarwe, wintergerst, maïs, bieten, vlas en koolzaad; weiden beslaan een groot deel van de grond.

Lisogne ligt op 6 km van Dinant, 7 km van Poilvache, 10 km van Bouvignes en 28 km van Namen. Awagne, Lisogne en Loyers vormden in de 19de eeuw de gemeente Lisogne, 914 hectare groot, tot die bij de gemeentefusie van januari 1977 opging in Dinant.

Kaart van de plaatsnamen van Lisogne en zijn gehuchten (naar IGN-kaart 53/4).
Kaart van de plaatsnamen van Lisogne en zijn gehuchten (naar IGN-kaart 53/4).

Waar komen de namen vandaan?

Lisogne

Liesongne (1060), Lusoingnes (1289), Lysongne (1354), Lisongne (1474), Lisougne (1558), Lisoigne (1609), Lisong (1692), Lisogne (1719). Volgens kanunnik Roland is de oorspronkelijke stam Leus-, van Leusonia, « het bezit van Leusonius ». Carnoy stelt twee andere verklaringen voor: het Germaanse Liuskumniô, « veld van irissen of riet », of Liudsonia, « de woning van Liudiso ».

Awagne

Wowonium (816), Wavania (824), Awonge (1130), Awangne (1231), Awagne (1301), Awaigne (1443)… Kanunnik Roland en A. Vincent leiden de naam af van Wowonium, vermeld in de kronieken van Saint-Hubert, dat in het Waals Wô werd, verfranst tot Haut (hoog).

Loyers

Loyer (1380), Loyers (1604), Loir (1620), Loÿers (1663), Loyr (1779). De naam zou komen van het Latijnse leiarium, « rotsachtige grond », wat klopt met de rotsachtige ondergrond van het gehucht.

Gehuchten en plaatsnamen

De ouderen in het dorp gebruiken nog namen waarvan de betekenis soms vergeten is. Enkele voorbeelden:

  • Frèch’tri: « vochtige braakgrond ». Het kruispunt van de Frèch’tri verbindt de drie dorpen van de gemeente.
  • Li Buk: « de stam, de stronk ». Bij dit gehucht van de hoeve du Bucq botsten in augustus 1466 voor het eerst de Dinantse milities en de Bourgondische voorhoede van Filips de Goede.
  • Fagnoûle: van fagne, moerassige grond; een kasteelhoeve met haar gronden tussen Loyers en de Frèch’tri.
  • Corbeau-basse: een basse is een poel waar het vee werd gedrenkt. Volgens de overlevering zou er een raaf in verdronken zijn; de plaats wordt al in 1578 vermeld.
  • Frèdin (Froidin): ravijn tussen Loyers en Lisogne, afdalend naar de Fonds de Leffe; een beekje voedde er een drinkplaats.
  • Tchèssion (Chession): naar het kasteel del Marmol, in 1705 gebouwd in het dal van de Leffe; onder het Hollandse bewind vestigde zich daar een papierfabriek.
  • D’zos lès nwârs: « onder de zwarte », herinnering aan een oude groeve van zwart marmer tussen het dorp en de Fonds de Leffe.
  • Tchèrô d’Lîzogne: de steile karrenweg van het dorp naar de molen, voor het ijzererts of het graan dat gemalen moest worden.

Alle Waalse woorden en oude termen vindt u in de woordenlijst.

Het dorp op oude kaarten

De eerste gedetailleerde afbeelding van het dorp dateert van 1718. Voor een proces tussen molenaar Baudhouin de Wez en de dorpsgemeenschap tekent landmeter Charles Lannoy de kerk, het huis van de pastoor en zijn brouwerij, de twee hoeven van de Kruisheren, de hoeve en het huis van Madame Pasquier, het huis van de magister, de Petite Cense, de dorpsput « zonder water in periodes van grote droogte », en de weg naar Leffe en Dinant.

Figuratieve kaart van het dorp door Charles Lannoy (1718). Rijksarchief, Brussel.
Figuratieve kaart van het dorp door Charles Lannoy (1718). Rijksarchief, Brussel.

Vijftig jaar later toont de Ferrariskaart (1770-1777) nieuwe huizen, de drie hoeven, de boomgaarden in het dorpscentrum, het gemeentebos van de Rot, al kleiner geworden, en voor het eerst het kasteel, acht jaar eerder gebouwd.

Lisogne op de Ferrariskaart (1770-1777). Toelating NGI A2630.
Lisogne op de Ferrariskaart (1770-1777). Toelating NGI A2630.

In 1832 beschrijft Philippe Vander Maelen een gemeente met een « zeer ongelijk en zeer hoog » terrein, waar men spelt, haver, erwten, aardappelen en wortelen teelt. Er zijn een graanmolen, een marmerslijperij, een brouwerij, een uurwerkmaker, een hoefsmid, zeventig huizen, vier stenen hoeven met strodaken, een kerk en een kasteel « gelegen op een hoogte ».

Latere kaarten tonen de langzame groei van het dorp: nieuwe huizen in de Rue du Centre en de Rue du Forbo aan het einde van de 19de eeuw, en vanaf eind jaren 1960 de « nieuwe wijk » in de Rue des Horizons, Rue du Corbeau-Basse en Rue du Bassin. In 150 jaar is het aantal woningen meer dan verdubbeld.

Zicht uit 1940; links herkent men de school. Collectie F. Dewez.
Zicht uit 1940; links herkent men de school. Collectie F. Dewez.

Water in het dorp

Tot het einde van de 19de eeuw leeft het dorp van zijn put en van een drinkpoel bovenaan de Rue du Centre. In 1891 spreekt Lisogne met Thynes af om de bron van de Grogneaux te benutten. Een groot metalen schoepenrad, aangedreven door de bron, pompt het water naar de reservoirs van beide gemeenten. Elk gezin krijgt een genummerde sleutel voor de waterpalen, en een reglement verbiedt er groenten te wassen of grote tonnen te vullen.

De gehuchten Awagne en Loyers, die niet op het net zijn aangesloten, moeten wachten tot de jaren 1950 en de bouw van een watertoren (1954-1956) om eindelijk stromend water te krijgen.

De dorpsput, onderaan de Rue du Forbo.
De dorpsput, onderaan de Rue du Forbo.

Beroepen van weleer

De archieven brengen verdwenen beroepen tot leven: de herdier, herder van de gemeenschappelijke kudde, die de varkens naar de eikels leidde; de fontainier, die pompen en waterpalen onderhield (Émile Scius was de laatste); de mambour d’église, die de ontvangsten van kerk en armen beheerde; de wagenmaker, meester van alles wat rolt, van kruiwagen tot kar; of nog de arbeidsters van de papierfabrieken in de Fonds de Leffe.

In de 20ste eeuw telde Lisogne drie cafés: bij Demeuse in de Rue du Centre, een café tegenover de oude bakkerij, en bij Léonard tegenover de kerk. Daarnaast waren er twee « clandestiene » cafés, waaronder dat bij « Tat », waar men kaartte.

Naar « Lisogne se conte »: « Préambule », « Pour une histoire lue au ras du sol » (P. Saint-Amand en B. Tonglet), « Quelques notions de toponymie », « L’évolution du village » (waaronder « L’approvisionnement en eau », door M. Coleau).