De molen van Lisogne

Onderin het dal, aan de beek van de Fonds de Leffe, wordt de molen van Lisogne al in 1380 vermeld. Het is een van de oudste getuigen van het dorpsleven.

Een bedrijvig dal

Molens aan de Leffe bestaan al sinds de middeleeuwen. In oktober 1834 telt men er meer dan 25 tussen Leffe en Lisogne: graanmolens, runmolens, oliemolens, marmer- en steenzagerijen, tien papiermolens en een glasblazerij. Het dal is zo geïndustrialiseerd dat men er in 1846 zelfs een spoorlijn overweegt; in 1863 werken er meer dan 350 arbeiders. Vandaag wordt een groot deel van het water van de Leffe opgevangen voor de drinkwatervoorziening van Dinant.

Het rad van de molen van Lisogne, vandaag stilgelegd.
Het rad van de molen van Lisogne, vandaag stilgelegd.

De banmolen van de graven de Glymes

In 1512 verheft Jean Salmier, burger van Dinant, de molen voor het leenhof van Poilvache. Hij gaat daarna naar de molenaars de Feraige en vervolgens naar Érard de Salmier, kapitein van Hoei. In de 17de eeuw komt hij in handen van de graven de Glymes. In 1663 spant Gilles de Glymes een proces aan tegen de « inwoners » van Lisogne om hen te verplichten in zijn molen te laten malen: het gerecht geeft hem gelijk en erkent de banaliteit van de molen.

Het proces van 1718

Enkele jaren later is het molenaar Baudhouin de Wez die tegen de gemeenschap procedeert. Hij heeft met een droge haag de drinkplaats afgesloten waar de dorpskudde « van oudsher » kwam drinken wanneer de put droog stond. Voor dit proces maakt landmeter Charles Lannoy in 1718 de eerste gedetailleerde kaart van dorp en molen. Hij noteert, pikant detail, dat de molen « op het land van Zijne Majesteit » staat, in het graafschap Namen, maar de stal « op Luiks grondgebied ».

De molen en zijn molenbeek op de kaart van Charles Lannoy (1718). Rijksarchief, Brussel.
De molen en zijn molenbeek op de kaart van Charles Lannoy (1718). Rijksarchief, Brussel.

Van Spaanse graven tot molenaars

Bij de Revolutie is de molen nog steeds van de Glymes, wiens erfgenaam in Spanje woont. Onder het Keizerrijk onder sekwester geplaatst, wordt hij verhuurd aan molenaar Charles Servais. Pas op 25 maart 1840 verkoopt een openbare veiling, namens twee edellieden uit Madrid en de erfgenamen van de beheerder van de graaf, de molen met woonhuis, bakhuis, weiden en tuinen aan molenaar Martin Joseph Servais en zijn vrouw Henriette Purnode, voor 22.000 frank.

Door het huwelijk van zijn dochter Florence met Victor Floymont komt de molen bij de Floymonts, pachters van de Grande Cense. In de jaren 1930 wordt hij verhuurd aan Antoine Lupsin, de laatste molenaar. Het rad valt begin 1945 definitief stil.

Een nieuw leven

De molen wordt woning voor landarbeiders en vervalt. In 1949 verkocht, wordt hij gedeeltelijk afgebroken, waaronder de vierkante radtoren. In 1958 maakt Edmond Blondiaux er zijn buitenverblijf van; zijn zoon Alain opent er op 13 april 1973 een hotel-restaurant en zet jarenlang de renovatie van de gebouwen voort.

De gebouwen van de molen van Lisogne.
De gebouwen van de molen van Lisogne.

Vandaag biedt de site van de oude molen boomhutten aan de Leffe: Dinant Cabanes.

Naar « Lisogne se conte »: « Les anciennes bâtisses: le moulin de Lisogne ».