Vuurvaste klei, ijzererts, zwart marmer, blauwe steen: de ondergrond van Lisogne voedde eeuwenlang de koperslagers en smeedmeesters van de Maasvallei.
De rijkdom van de ondergrond
De derle, een vuurvaste klei, diende om smeltkroezen en gietvormen voor de koperslagers te maken. In 1574-1576 kopen een twintigtal koperslagers uit Bouvignes derle « uit de groeve van Lisogne ».
Het ijzererts wordt al zeer lang ontgonnen. In 1836 sluit smeedmeester Alexandre Amand uit Bouvignes met kanunnik Baudoin Verachter een overeenkomst voor drie jaar om erts uit diens gronden te halen. De ontginning gebeurt ondergronds: de arbeiders dalen af in de schachten, met de ene hand aan het touw, in de andere hun gereedschap en kaars. Het erts wordt in de beek gewassen en naar de hoogovens van Bouvignes gevoerd. Tussen 1836 en 1839 haalt men er 6.765 m³ per jaar uit, en de mijnen blijven in bedrijf tot 1872. Nog in 1947 zag Julien Floymont vóór zijn ploeg, op de 4 Bonniers, het gat van een oude schacht openvallen.
De plaatsnaam « sous le noir » en de polissoir van Thynes aan de Leffe herinneren aan de winning van zwart marmer; hogerop dragen « les carrières » de sporen van de steenwinning.
1914: het dagboek van Charlotte Henry
Charlotte Henry de Frahan (1865-1944), oudste dochter van Eugène Henry en Ernestine Lion, woont in Brussel; haar moeder, weduwe, woont in het kasteel van Lisogne. Haar dagboek vertelt over de zomer van 1914:
Op 17 augustus stond moeder op het punt aan tafel te gaan toen de Duitsers het kasteel binnenvielen, revolver in de hand, en haar bevalen onmiddellijk te vertrekken. Lisogne, uitstekend gelegen, dient de Duitsers dus als vesting, en het dorp dat drie weken geleden nog zo rustig was, is overgeleverd aan de gruwelen van de oorlog.
Charlotte Henry de Frahan, 26 augustus 1914 (vertaald)
In de volgende jaren beschrijft ze de opeisingen van koper en wol, de hoge voedselprijzen, de vlakten van Awagne tot Sovet die schietterrein werden, een Duitse soldaat die de paasmis zong op het oksaal, en de evacuatie van Lisogne, Awagne en Thynes in 1917, toen de bezetter in Sommière een kanonschietbaan inrichtte.

In de voetsporen van de gefusilleerden van 1914
In juli 1914 telt de gemeente iets meer dan 600 inwoners. Er zijn drie kerken, drie kerkhoven, drie scholen, twee pastorijen… en vijfentwintig herbergen. De mensen van Awagne, de mougneûs d’aragnes (spinneneters), plagen die van Lisogne, de mougneûs de rognes (salamandereters). Op 25 juli bespreekt de gemeenteraad rustig wegenwerken en schoolvakanties.
Op 15 augustus vechten Fransen en Duitsers om de Maasovergang in Dinant. Op de avond van de 22ste worden acht mannen van Lisogne, onder wie onderwijzer Waldor Eloy, gevangengenomen in de kelder waar ze met hun gezinnen schuilden. Geketend en als menselijk schild gebruikt, worden ze via Thynes naar de Fonds de Leffe gebracht en op zondag 23 augustus neergeschoten in de weide van de molen Capelle. Andere inwoners worden gefusilleerd in Dinant, Awagne, Thynes en op de hoeve Malaise, waar de drie broers Bultot omkomen. In Dinant worden 674 burgers gedood.

Marie Ansotte-Hartz, die de mannen van Loyers redde
Op maandag 24 augustus brengt een Duitse colonne uit Spontin de mannen van Loyers samen in een tuin aan de rand van het dorp, handen gebonden, tegenover een vuurpeloton. Gewaarschuwd door een legeraalmoezenier snelt Marie Hartz toe, geboren in het Groothertogdom Luxemburg en getrouwd met hoefsmid Émile Ansotte. Ze spreekt de officieren toe in hun taal, pleit, en roept: als men ook maar één man fusilleert, laat men dan met haar beginnen! De officieren komen op hun besluit terug. De mannen van Loyers worden twee dagen in de kerk opgesloten en daarna vrijgelaten.

In 1922 schenken de inwoners van Loyers haar een klok en een paar kandelaars. De plaat « Aan Mevrouw Ansotte, de inwoners van Loyers, dankbaarheid » is sinds 2011 in de familiegrafsteen op het kerkhof van Loyers ingemetseld.
Het oorlogsmonument
Het dorp, dat een zware tol betaalde (18 mannen), huldigt op 9 augustus 1925 zijn oorlogsmonument in, in de Rue du Centre, op de plaats van de vroegere drinkpoel, vlak bij de huizen van de gefusilleerden. Het werk van de Dinantse monumentenbouwer Henri Royaux draagt de naam van soldaat Georges Demoulin en van de gefusilleerde burgers: Eloy, Culot, Capelle, Leclerc, Piraux, Modave, Dewez, Gérimont, Duchêne, Vandurme, Bultot en Nepper. Luitenant-generaal baron de Witte, overwinnaar van de slag bij Halen, zit de plechtigheid voor namens de Koning.


In 1948 voegt een plaat de namen toe van Aimé Finfe, soldaat gesneuveld aan de Leie in mei 1940, van Auguste Detal en van de slachtoffers van 1944. De koperen plaat voor onderwijzer Eloy, in 1923 geschonken door de onderwijzers van het kanton, werd in 2002 in het plantsoen teruggeplaatst.

6 september 1944: de avond van de bevrijding
Op 6 september 1944, rond 20.30 uur, rijdt een colonne Amerikaanse tanks door Lisogne richting citadel van Dinant. De inwoners juichen hun bevrijders toe. Twee uur later kloppen vier of vijf Duitse soldaten, wellicht SS’ers op verkenning vanuit Thynes, aan de deuren. Ghislain-Lambert Warzée, 54 jaar, wordt in onderbroek en pantoffels meegenomen en op het plein doodgeschoten. Arthur Vincent, 18 jaar, die met vrienden de bevrijding wilde vieren, zou « Leve de Amerikanen! » geroepen hebben toen hij in het donker helmen zag: ook hij wordt gedood.
Naar « Lisogne se conte »: « L’histoire contemporaine de Lisogne »; « Sur les pas des fusillés de l’été 1914 » en « Une certaine vision de la guerre », door M. Coleau; dagboek van Charlotte Henry de Frahan.
