Van de oorsprong tot de middeleeuwen

Deze Condrozische streek bestuderen is geschiedenis « op grondniveau » bedrijven: de schaarse aanwijzingen in de documenten zo goed mogelijk benutten om, op de schaal van een dorp, de grote geschiedenis van de streek beter te begrijpen.

De eerste sporen

Een gekapte bijl, gevonden bij de tch’min dès culéyes aan de oostgrens van Awagne, en enkele silexstukken van de Comognes zijn de enige aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid in de prehistorie. Vijf marchets, steenhopen van vóór de Romeinse verovering, werden er in 1905 opgemerkt; ze leverden beenderen en scherven van grof aardewerk op.

De Romeinse periode is veel beter gedocumenteerd. Dicht bij de Maas, in het hart van een sterk geromaniseerde Condroz en langs een weg van Dinant naar Tongeren via Hoei, werd Lisogne al in de eerste eeuwen van onze jaartelling bewoond. Omstreeks 1848 vond men op de plaats Le Buc, in Loyers, een Gallo-Romeins graf vol urnen; alleen een geëmailleerde gouden radvormige fibula werd gered, nu in het archeologisch museum van Namen. In 1951 legde abbé Servais, onderpastoor van Awagne, op de plaats Al tombe een crematiegraf uit de 2de eeuw bloot. Baron de Loë vermeldde bovendien resten van een Gallo-Romeinse villa in Lisogne.

Detail van een grafmonument.
Detail van een grafmonument.

De priester Oduin en de abdij van Stavelot

De eerste bekende eigenaars van de streek behoren tot één familie: de priester Oduin en zijn neven. Omstreeks 824-825 bezit Oduin in Awagne, in pago Condrusto, een herenhoeve waar hij woont, twee hoeven uitgebaat door vrije mannen en twee door horigen, en een deel van de Sint-Quintinuskerk. Voor zijn zielenheil schenkt hij al die goederen aan de abdij van Stavelot. Zijn neven doen hetzelfde in 825, met behoud van het vruchtgebruik.

In de Karolingische tijd is een mansus zowat 15 hectare groot: de familie bezat in Awagne dus een domein van ongeveer 120 hectare. Deze vrije mannen stellen zich in zekere zin onder de hoede van de grote abdij, terwijl ze vrij blijven. Oduin schenkt ook een hoeve in Dinant, waar Stavelot aanlegplaatsen voor zijn schepen zal inrichten: een belangrijke mijlpaal in het ontstaan van de stad Dinant.

Een Sint-Bartholomeusparochie

De kerk van Lisogne, toegewijd aan de heilige Bartholomeus, duikt onrechtstreeks op in een akte van 1220. Haar gebied reikte tot de beek van de Fonds de Leffe en omvatte de molen, met uitzondering van Loyers en de hoeven van Buc en Viet, die tot de parochie Leffe behoorden. Awagne had een eigen Sint-Quintinuskerk, waarvan het patronaatsrecht in de 13de eeuw naar de abdij van Leffe ging.

Detail van een kruis op het kerkhof.
Detail van een kruis op het kerkhof.

De eerste heren: de Jodions

Omstreeks 1220 schenken ridder Jean de Jodion, bijgenaamd Boteris, en zijn vrouw Hawuide de Faing de helft van de tiende van Lisogne aan de abdij van Leffe. De andere helft gaat in 1227 naar de abdij van Waulsort. Hun zoon Godescalc is de eerste die dominus villae van Lisogne wordt genoemd, « heer van het dorp ». Het land kwam van de familie de Faing, verwant met de graaf van Namen; zo raakte Lisogne ingebed in het graafschap Namen, terwijl het nabije Dinant tot het prinsbisdom Luik behoorde.

1380: een gerecht en een molen

Een telling uit 1380 onthult een grondgerecht in Lisogne, met meier en schepenen. De bossen worden bewaakt door een boswachter en de gemeenschappelijke kudde graast onder de hoede van een herdier. Het document vermeldt ook voor het eerst de molen van Lisogne, gehouden door een zekere Jean de Thynes, helemaal in het zuiden van het dorp aan de beek van de Fonds de Leffe. De heerlijkheid is dan in handen van Badewijn de Moustier, burger van Dinant, en hangt af van de proosdij Poilvache.

De proosdij Poilvache in de 15de eeuw.
De proosdij Poilvache in de 15de eeuw.

Kooplieden uit Dinant en Kruisheren

Vanaf het einde van de 14de eeuw investeren de kooplieden en koperslagers van Dinant in het omliggende platteland. In Lisogne baat de familie aux Brebis vanaf 1380 een veehoeve uit, later twee hoeven van elk 24 bunder; Jean le Carpentier, gewezen burgemeester van Dinant, bezit in 1474 de helft van de heerlijkheid.

Vanaf de 16de eeuw worden de drie hoeven van het dorp, de kleine, de middelste en de grote, gehouden door de Kruisheren van Dinant. De oorlogen die het land tussen Samber en Maas teisteren en de onophoudelijke troepenbewegingen maken ze bijna onvruchtbaar; alleen de grote hoeve, de versterkte Ferme de la Tour, brengt nog wat magere inkomsten op.

Het erf van de Ferme de la Tour.
Het erf van de Ferme de la Tour.

De techniek van de blow-up liet ons toe van het detail naar het algemene te gaan, « van de ene geschiedenis naar de andere ». Lokale en algemene geschiedenis staan niet tegenover elkaar: de ene belicht de andere.

P. Saint-Amand en B. Tonglet (vertaald)

Naar « Lisogne se conte »: « Pour une histoire lue au ras du sol, des origines jusqu’à la fin du Moyen Âge », door P. Saint-Amand en B. Tonglet.